Titanen, olympiërs, nimfen en het ontstaan van de mens enzo…

De Griekse mythologie. Een tijdje terug op een geweldig boek gestuit van Stephen Fry. Natuurlijk weer een wereldwijde bestseller, maar ach: wat doet dat ertoe. Tijdens de kerstdagen lekker gelezen en ik moet zeggen: ook dit is weer een pareltje. Interessant om van deze ‘sprookjes’ te lezen en echt knap hoe die gast dit allemaal heeft onderzocht en vooral heeft opgeschreven. Het ene verhaal is het andere niet, maar bottom line is het gewoon een lekker, leesbaar boek met veel verhalen die me echt nieuwsgierig maken en ik in één ruk heb uitgelezen. Zoals het altijd bij mij werkt, ben ik nieuwsgierig en verdiep me als ik een boek lees meer in alles dan alleen het boek zelf. Dus ik heb de afgelopen tijd veel andere dingen gelezen over de Griekse mythologie en zo’n zaken. Tjsa, ik kan mijn nieuwsgierigheid dan gewoon niet temperen. Hoeft ook niet vind ik! En dan kan een blog op deze site natuurlijk niet ontbreken. Vind ik, haha. Dus… kijk maar of je je erdoor geworsteld krijgt!

First generation

De wereld was voor de helft af. Althans dat vond Zeus. Een wereld die werkelijk prachtig was met goden, nimfen, faunen, titanen en dieren. Het had trouwens wel even geduurd, voordat het zover was. In ‘den beginne’ was er namelijk chaos. De oude Grieken (niet te verwarren met het huidige Griekenland) geloofden niet in de oerknal, maar een begin met chaos. Maar wat was dat dan, chaos? Antwoord: niks. Er was geen tijd en dat moet maar aangenomen worden. Dus ook niet al teveel over nadenken dan. Uit de vormeloze chaos kwamen twee schepsels voort: Erebos en Nyx. De ene was de duisternis, de ander de nacht. Je mag zelf raden wie-wie was. Uit die twee kwamen Hemera (de dag) en Aether (de atmosfeer) voort. Het stelletje was al aardig compleet, nietwaar. Daarna kwam de zogenaamde tweede orde: Gaia en Ouranos. De ouders en grootouders van de twaalf olympiërs, waarvan iedereen er zeker kent. Titanen kwamen als kinderen van Gaia en Ouranos, gevolgd door nimfen en geesten en daarna kwamen de goden zelf. Bekende titanen zijn Kronos en Hyperion, Themis en Rhea. Al zijn ze eigenlijk niet zo bekend. Kronos is trouwens ook de hoofdrolspeler van het supercoole PS4-spel God of War. Kronos was niet echt een lieverd, want hij heeft het geslachtsdeel van zijn vader Ouranos eraf gehakt. Dat zorgde ervoor dat hij de machtigste werd van zijn tijd. Hij paarde met (zijn zus) Rhea en die kreeg kinderen. Er was alleen een maar-tje. Na het afhakken van zijn vaders genetalien, had hij hem verteld dat zijn kind hem zou overwinnen. Maar dat moest die good-old Kronos niet hebben, natuurlijk. Dus… at hij elk kin op dat Rhea kreeg. Handig toch? Maar Rhea was best een slimme meid en lapte hem een handige streek bij hun laatste kind. Dit kind werd niet opgegeten, maar geboren. En dat was Zeus. Uiteindelijk werden alle opgegeten kinderen uitgespuugd en was de jongste de oudste geworden, en de oudste de jongste. Kronos werd verbannen en doolt nog steeds rond met zijn sikkel. In de tijd erna was alle compleet en regeerde Zeus als oppergod over de hemel en de aarde. Die op enig moment écht vervolmaakt was.

‘Het zij zo’ uit het midden-oosten: amen.

Toen de onsterfelijke oppergod wat anders wilde…

Ja, de wereld was dus volmaakt. Maar volmaakt is op een gegeven moment een beetje saai. Dat vond Zeus dus ook en toen werd er geschapen. Het was zijn idee en werd in uitvoering gebracht door zijn beste vriend Prometheus en godskind Athene. Prometheus was trouwens geen god, maar een titaan. Door zijn daad – lees maar even verder – werd hij uiteindelijk de ‘vooruitdenkende’ genoemd. Een uitvinder, denker, een leraar. Wat hij had uitgevonden? De mens! Geboetseerd van glibberende klei en mineralen die aanwezig waren ’tussen de rivieren’ – in het Grieks Mesopotamië genoemd. De mens werd leven ingeblazen door de wijsheid, intuïtie en verstand van Athene. De mens – lees: man – kreeg de naam ‘Anthropos’ en werd van vier elementen gemaakt: aarde (Gaia’s klei), water (speeksel van Zeus), vuur (de zon van Apollo, waarin de kleine kleien mannetjes werden gedroogd) en lucht (de adem van Athene). Bij het lezen van dit verhaal is de verwijzing compleet naar de klassieke elementen waar ik eerder over heb geschreven. De elementen waarvan men vroeger dacht dat alles was gemaakt: het basisidee van de natuurkunde.

De man kwam tot leven en ging zich settelen. Hij mocht alles hebben en doen wat de wereld hen gaf, maar één ding niet: vuur. Dat was een harde uitspraak van Zeus. Ze mochten absoluut niet beschikken over vuur, want dat zou leiden tot opstanden tegen de almachtige en onsterfelijke goden. Da’s natuurlijk niet handig als je zelf oppergod bent. Je raadt het al… ze kregen natuurlijk vuur. Niet van Zeus, niet van Athene of een andere god, maar van Prometheus. Hij stal het goddelijke vuur van de Olympus waar alle goden woonden en bracht het naar de mens. Zeus was not amused en ontzettend boos op zijn ooit zo beste vriend. De hele Olympus dacht dat Prometheus met zoveel kracht zou worden weggeblazen dat zijn atomen nooit meer terug te vinden waren. Maar Zeus hij had een ander meesterlijk plan. Het verraad was zo erg dat hij niet Prometheus niet zou straffen, maar de hele mensheid. Hij beval zijn zoon Hefaistos (de god van de smeedkunst, ook wel als Hephaistos geschreven) om uit zijn met speeksel vermengde klei een nieuwe mens te vormen. Alleen was het ditmaal geen man, maar een jonge vrouw naar het voorbeeld van de bloedmooie godinnen Afrodite, Hera, Demeter en Athene. Dit keer was het Afrodite die de vrouw-mens het leven inblies. En naast leven blies ze ook de kunst van het liefdesspel in. Super gevaarlijk dus!

De eerste vrouw heette Pandora. Die van die..? Ja, die. Ze kreeg van Zeus een potje mee met echt ‘niet bijzonders’ erin. Pandora was binnen de korste keren een getrouwde vrouw en dolverliefd op haar man. Alleen zat haar één ding dwars: die gekke pot. Dus na veel gewik en geweeg werd de pot geopend. Ze krijste het uit toen er per direct gevleugelde wezens uitvlogen en haar sneden. Die wezens waren mutanten van het duistere gebroed van Nyx en Erebos. Hun namen waren Ponos (ontbering), Limos (hongersnood), Algos (pijn), Dysnomia (anarchie), Pseudia (leugens), Neikea (twisten), Amfilogiai (geschillen), Machai (oorlogen), Hysminai (veldslagen), Phonoi (moord) en Androktadiai (doorslag). Eén wezen bleef in de pot toen het deksel er weer snel op werd gedaan: Elpis, wat ‘hoop’ betekent. Rampen, ziekten en zorgen waren dus ontsnapt en verspreidden zich over de aarde – aan het kommerloze bestaan van de mensen was een einde gekomen. Interessant is trouwens om na te denken hoezo ‘hoop’ dan ook in dat vat zat. Hoop klinkt namelijk aardig positief. De ene gedachte is dat we gekweld worden door alle kwaden, en dat zelfs de troost van hoop ons is ontzegd. De andere gedachte is dat Elpis staat voor het vooruitzicht op het allerergste. Met andere woorden: voorgevoelens, boosheid, angst en het idee van naderend onheil. Dit zou betekenen dat de mutant die achterbleef in de pot de ergste van allemaal was. Door het achterblijven van hoop in Pandora’s Box heeft de mens tenminste geen voorgevoel van zijn eigen lot en de wreedheid van het bestaan. Dat maakt dat we in staat zijn om met de dag te leven in onwetendheid voor dat wat komen gaat, de pijn die gaat komen of het einde van alles. Best positief he! Goed gedaan Pandora!

Het ontstaan van de vier jaargetijden

(Iets) later in de tijd kregen Zeus en zijn zus Demeter een dochter: Persefone. Ze was puur en rein en haar naam betekent ‘maagd’. Op een gegeven moment was ze wat doelloos aan het rondlopen – vast en zeker in één of ander mooi bos – toen de aarde zich opende met een diep en donderend geluid. Er verrees een machtige strijdwagen en ze werd gekidnapt. Demeter zwoer dat ze haar dochter terug zou krijgen. Maar door wie was zij dan ontvoerd? Juist, door Hades. De god van de onderwereld, nadat hij kop-munt had gedaan met zijn broer Poseidon die de wereldzeeën ter beschikking kreeg. Toen Zeus hoorde van de streek van Hades hing hij direct bij hem langs. De vorst van de onderwereld was alleen niet van plan haar mee te geven en had een listig plan bedacht. Ze werd verleid met lekkere granaatappelpitten – wie vindt die niet lekker? – waar de mooie Persefone van at ‘Persefone heeft een vrucht uit mijn rijk gegeten’, riep Hades. ‘Er staat geschreven dat wie de vruchten van de onderwereld heeft geproefd, gedoemd is om er terug te keren. Ze heeft zes pitten gegeten en moet zo ieder jaar zes maanden bij mij doorbrengen.’ Lekker dan. Bij haar terugkeer op aarde was Demeter zo opgetogen dat de hele wereld van het ene op andere moment in bloei stond. Die vreugde zou zes maanden duren. Het verdriet van het afscheid zorgde ervoor dat alle bomen hun blad verloren en een doodse duisternis neerdaalde op de wereld. De in een half jaar zo bloeiende en zonnige wereld, werd voor de rest van het halfjaar overmeesterd door kilte en het donker. Zo ontstonden de jaargetijden die we nu kennen.

De mens ontwikkelde zich in rap tempo en er kwamen leiders en koningen. Steden werden gebouwd, akkers gezaaid en mensen gemaakt. Continenten werden aangewezen, zoals bijvoorbeeld Europa. Maar ook daar hadden de grote goden een belangrijke rol in. Een jongedame (met de naam Europa, dus) werd door een witte stier over land en zee meegesleept naar Kreta. Die stier was Zeus en alles ten westen van haar reis werd daarmee ‘Europa’ genoemd. Of bijvoorbeeld de oprichting van de stad Thebe, die uitgroeide tot een van de grootste steden van het oude Griekenland. Opgericht door iemand met de naam Kadmos, die een grote waterdraak doodde wat god Ares – die van de oorlog –  niet leuk vond. De tanden van de draak werden begraven, waaruit volgens de mythe wel 500 soldaten rezen met de naam Spartai. Vijf overleefden het en werden de stichters van de bekende stadstaat.

`Wie waren dan al die goden? De Griekse mythologie kent een overvloed aan goden, halfgoden en andere bovennatuurlijke wezens. Wanneer we het echter over de belangrijkste Griekse goden hebben, spreken we vaak van de “twaalf Olympiërs”. Dit zijn de twaalf grote oppergoden van het gehele Griekse pantheon. Hier komen ze…

  • Zeus: de oppergod, God van het hemelrijk, de lucht en het weer.
  • Afrodite: God van de liefde en schoonheid.
  • Apollo: God van het licht, de zon, muziek en geneeskunsten.
  • Ares: God van de oorlog.
  • Artemis: jacht, bossen en de maan.
  • Athene: wijsheid, inzicht en techniek.
  • Demeter: oogst, landbouw en graan.
  • Hefaistos: God van de smeedkunst, vulkanen en het vuur.
  • Hera: huwelijk en liefde.
  • Hermes: boodschapper van de goden, God van handel en beschermer van dieven en reizigers.
  • Hestia: godin van het vuur en de huiselijke haard.
  • Poseidon: God van de zeeën, aardbevingen en paarden.

Ze wonen op de berg Olympus.

En dan deze dan! Phaetos.

Phaetos was de zoon van Apollo, de zonnegod, en moeder Klymene. Hij had een stiefvader Merops en zijn moeder vermaakte de jongen met verhalen over zijn goddelijke vader – die er nooit was en alle dagen de zonnewagen bestuurde. En zo’n dingen – je weet wel. Phaetos zat op school en had genoeg van een klasgenoot die altijd opschepte: Epafos, zoon van Zeus en zo. Hij ging steeds ‘dit en dat’ doen met Zeus. Op een gegeven moment had Phaetos er genoeg van en ging op zoek naar zijn échte vader. Hij had het plan om terug op te scheppen naar die irritante klasgenoot en wel door de zonnewagen te gaan besturen. Zelfs zijn moeder Klymene kon hem niet van dat plan weerhouden en hij ging op pad. Het Zonnepaleis lag heel ver oostelijk, misschien wel in India. Inderdaad, de plek waar de zon elke dag op komt. Eenmaal aangekomen vertelde Phaetos aan Apollo dat al heel zijn leven zijn moeder hem vertelde over de grote en glorierijke Apollo, de gouden God en vader. Apollo was er niet echt gecharmeerd van, maar zwichtte uiteindelijk wel voor zijn zoon. Phaetos vroeg om een wens en kreeg die: het besturen van de wagen. Zo gezegd, zo gedaan. Toen de prachtige Eos – de godin van de dageraad – de poort opende was allereerst duisternis te zien met een mooie zilveren glans van maangodin Selene. Naarmate Eos de poort verder opende, verdiepte een zacht roze gloed zich tot een gouden glans: de dageraad. Phaetos ging op pad met zijn geleende zonnewagen en het lukt in eerste instantie aardig. Maar toen! Ondanks gouden tips van Apollo als ‘rustig blijven’ en ‘niet aan de leidsels rukken’ ging het mis. Hopeloos mis. De wagen daalde en daalde. De vier paarden waren ontzet – Pyrois, Phlegon, Aios en Aithon. Front-runner Aios was onbestuurbaar en de wagen dook omlaag, scheerde over land en zette dat in vuur en vlam. Heel Afrika ten zuiden van de kust werd in as gelegd. Tot de dag van vandaag is dit gebied voor het grootste deel een dorre woestijn, die wij de Sahara noemen. Voor de Grieken was het ‘Het Door Phaeton Verschroeide Land’. Zeus werd gemaand in te grijpen en gooide een bliksemschicht naar de wagen en raakte Phaetos die brandend ter aarde viel. De jongen die de zonnewagen wilde besturen. Zo ontstond de uitdrukking ‘na hoogmoed komt de val’. Apollo zwoer daarna nooit meer de zonnewagen te besturen. Een taak die hij overdroeg aan de dankbare hulp Helios.

Wat gij niet wilt dat u geschiedt…

Al met al bestond de wereld destijds dus uit onsterfelijke goden en sterfelijke mensen. Het is een tijd die het ‘zilveren tijdperk’ wordt genoemd. Mensen en goden leefden naast en met elkaar. Het was ook niet vreemd dat goden kinderen kregen met mensen. Naja, is ook niks vreemds aan natuurlijk. Het was alleen zo dat sommige koningen zo hoogmoedig waren dat ze de meest elementaire geboden van de goden negeerden en weinig respect toonden. Zulk gedrag bleef zelden onbestraft. Lees: ze werden pijnlijk gestraft en vaak ook gedood. De goden accepteerden daarnaast ook geen uitdagingen van mensen. Wie dachten ze wel niet dat ze waren? Als een mens riep dat hij iets beter kon, liep dat vaak ‘slecht’ af. Bijvoorbeeld Eos, de godin van de dageraad die de liefde van haar leven had gevonden. Ze woonden samen in het paleis van de zon met haar grote liefde Tithonus. Alleen… deze jongen was sterfelijk. Dus vroeg Eos aan Zeus een gunst om hem onsterfelijk te maken. Normaal gezien was Zeus niet zo schappelijk. Maar ditmaal wel en dat rook een beetje. De gunst werd ingewilligd: de man was onsterfelijk. Alleen zat er een (groot) addertje onder het gras, die eigenlijk al direct werd verraden door de grote grijns op het gezicht van Zeus toen hij de wens tot executie bracht. Tithonus was weliswaar onsterfelijk, maar werd wel ouder. Maar dat was natuurlijk niet de bedoeling! De dagen vergingen en Tithonus werd ouder en ouder, totdat zijn hele huid en lichaam zo verschrompeld waren dat hij amper nog kon lopen. ‘Alsjeblieft, heb medelijden met me’, kraste hij met zijn piepstem tegen Eos. ‘Maak me dood, druk me plat, laat het toch afgelopen zijn. Ik smeek het je’. Zo op papier lijkt het heel duidelijk, alleen kon Eos zijn woorden niet meer verstaan. Het enige wat ze hoorde was een hees gepiep en gesjirp. Diep in haar hart begreep ze maar al te goed wat hij probeerde te zeggen. Ze had weliswaar niet het vermogen om een einde aan zijn leven te maken, maar had wel andere gaven. Ze toverde ze haar geliefde om in een sprinkhaan. In deze nieuw vorm hopte Tithonus op de rand van het balkon zo de duisternis in. Zijn achterpoten brachten een schrapend geluid voor: een dankbaar gesjirp of een liefdevol vaarwel.

Of dan het verhaal van Erysichthon, koning van Thessalië. Hij wilde dat zijn mannen bomen kapten, zodat hij hout had voor nieuwe vertrekken van zijn paleis. Wat een gast. Zijn paleis was vast en zeker al groot en mooi genoeg. Maar goed… Zijn mannen weigerden om de oudste bomen te kappen, dus hij deed het zelf. Er stond namelijk nog een stokoude, grote Eik in het bos. Alleen: bomen hebben beschermsters. Hamadryaden genoemd – een nimf die volledig is vervlochten met haar boom. Zelfs zo vervlochten dat ze meesterft als de boom doorgaat. Toen Erysichthon de oude eik kapte, stierf ook de Hamadryade. Met haar laatste adem vervloekte ze de laffe Erysichthon. Demeter hoorde van de heiligschennis en vroeg good-old Limos – de demon van de hongersnood – om de vloek af te leveren. Dat gebeurde. Limos was één van de demonen die uit de Doos van Pandora was ontsnapt. Erysichthon ontwaakte de dag erna met een ongekende honger. Hij at en at, maar niks stilde zijn honger. Hij verkocht alles wat hij had, zelfs zijn kinderen, om eten te kunnen kopen. Het vuur van de honger doofde niet totdat hij op een dag zijn linkerhand opat. Daarna zijn schouder, voeten en dijen. Totdat hij zich helemaal had opgegeten. Moraal? Let op je hebzucht.

Of dan Arachne, een jonge meid met heel veel talent voor weven. Ze was niet verwaand of verwend, maar begreep dat ze een uitzonderlijke gave had. Ze waardeerde haar talent wel zo dat ze op een dag riep dat Pallas Athene haar kunsten niet zou nadoen. Je weet wel wie Pallas Athene is toch? De godin van wijsheid, inzicht en techniek. Maar je moet zoiets toch echt niet tegen een god zeggen! Een tijdje later kwam er een oud, verrimpeld vrouwtje langs bij Arachne. Je begrijpt wel dat het geen oud vrouwtje was, maar Athene zelf. Na wat gevijf en gezes spraken ze af een weefwedstrijd te doen. O jee. Athene weefde een prachtig doek, net als Arachne. Athene kwam naar voren om elke centimeter van het weefsel te inspecteren en kon werkelijk geen onvolkomenheid ontdekken. Het was volmaakt. Uit boosheid greep ze een schietspoel en gooide die naar het hoofd van Arachne. Door de pijn daarvan ontwaakte zij uit haar soort-van-trance en begreep dat ze een godin boos had gemaakt. Oepsie de floepsie. Ze greep een dik stuk hennep van de vloer, rende naar buiten en knoopte zich op. ‘Een talent als het jouwe mag niet verloren gaan’, zei Athene. Je zult het hele leven spinnen en weven. Terwijl ze sprak begon Arachne te verschrompelen en krimpen. Het touw waar ze aan hing rekte uit tot een dunne draad glanzende zijde. Het was geen meisje meer, maar een spin. De eerste spin – de eerste arachnida.

Je weet dat ik veel reis en prachtige trips heb gemaakt naar Lapland en IJsland. Daar heb je natuurlijk dikke kans om het Noorderlicht te zien. Ik vond het dan ook erg grappig en leuk te lezen dat er ook een link is naar de Griekse mythologie. Boreas is namelijk de god van de Noordenwind. Broer van Euros (de oostenwind), Notos (de zuidenwind) en Zephyros (de westenwind). Vandaar ook de naam aurora borealis.

Prachtige verhalen…

Nooit gedacht dat het lezen van deze verhalen zo leuk zou zijn. Eentje in de categorie ‘dat had ik eerder moeten doen’. Al maakt het echt niks uit dat ik dat niet eerder heb gedaan. In de Griekse mythologie stikt het van de seks, paren, liefdesspelen en hoe het allemaal wordt genoemd. De ene God met de ander – in die tijd waren er nog niet veel – en later goden met stervelingen. Hera – vrouw van Zeus – heeft heel wat moeten doorstaan. Zo heb je bijvoorbeeld het verhaal van Echo. Zij was een meid die het opnam voor Zeus die even verderop achter de rivier lag te flikflooien met een of andere waternimf. Ze loog tegen Hera toen zij poolshoogte kwam nemen. ‘Nee hoor, Zeus heb ik hier niet gezien’. Bullshit natuurlijk. Hera heeft haar uiteindelijk bestraft voor de leugens en gezorgd dat ze nooit meer kon praten, maar alleen nog de laatste woorden van ‘wat tegen haar gezegd werd’ kon uitbrengen. Het woord behoeft geen verdere uitleg denk ik.

Of dan het mooie verhaal van Pyramus en Thisbe. Een zoon van de ene familie en dochter van de andere. En die families woonden naast elkaar in grote paleizen in het oude Babylon. Ze hadden al generaties lang een vete, maar Pyramus en Thisbe werden verliefd op elkaar nadat ze elke dag met elkaar spraken door een klein gat in de tuinmuur. Ze hielden het niet meer en spraken af elkaar te ontmoeten aan de andere kant van de stadsmuur. Hier aangekomen treft Thisbe een woeste leeuw aan die net een grote os heeft verorberd. Ze schrikt van en in paniek vlucht ze weg waarbij ze haar mooie hoofddoek verliest. De leeuw loopt ernaar toe, snuffelt, neemt hem in z’n bek waardoor de doek wordt bevlekt met ossenbloed. Niet veel later komt Pyramus aan en vindt de doek. Hij weet dat het van haar is. Hij trekt zijn zwaard en stoot het diep in zijn buik. Hij sterft om samen met haar te zijn. Even later komt Thisbe terug en vindt Pyramus. Ze ziet het zwaard wat nog warm is en steekt het ook diep in haar buik. Dat is pas liefde! Als de twee families naar de tragische plek komen vallen ze elkaar huilend in de armen en vragen vergiffenis. Er komt een einde aan de vete. De geest van Pyramus verandert in een rivier en Thisbe is de bron waarvan het water uitstroomt in deze rivier. Daarnaast beslissen de goden dat ter nagedachtenis aan de liefde en zelfopoffering de vruchten van de moerbei voortaan een diepe purperrode tint hebben: de kleur van hun hartstocht en bloed. Ik heb ook drie moerbeien.

Nou, nog eentje dan. Het boek staat vol verhalen, maar de ene spreekt me gewoon meer aan dan de andere. Dus heb er hier en daar wat genoteerd. De laatste is van Midas. Ja, inderdaad, Midas. Iemand die rijk en fortuinlijk is, maar in werkelijkheid arm en ongelukkig. Midas was koning van Phrygia, een niet erg rijk land. Het meeste geld besteedde Midas aan zijn mooie rozentuin. Daarin vond hij op een moment een slapende, oude man. Midas was aardig en bood de man een bad, wijn, eten en een goed bed aan. Zo gezegd, zo gedaan. Deze vreemdeling bleef tien dagen en tien nachten logeren, totdat hij terug ging naar zijn meester. Niemand wist dat die meester Dionysos was, de wijngod. Hij was zo blij dat de man terug was dat hij Midas een beloning aanbood: een wens mocht in vervulling gaan. Hoewel Midas niet inhalig of hebzuchtig was, was zijn actie toch in die richting. Hij wenste geld en rijkdom. ‘Dan wens ik dat alles wat ik aanraak, verandert in goud’. Bekend verhaal hè? En zo gebeurde het! Midas werd wakker en het was een werkelijk schitterende dag. Hij schuifelde naar zijn tuin en raakte een roos aan. Die veranderde ogenblikkelijk in goud. Ongekend! Nog eentje en nog eentje! Zijn vrouw en kind kwamen aangelopen en opgetogen drukte hij hen tegen zich aan… ze smolten samen uit een massief gouden standbeeld. De gouden perzik kraakte tussen zijn tanden en hoe sliep in een bed van goud met dikke, maar koude dekens van goud. Dit was echt niet wat hij zich ervan had voorgesteld… Dionysos schonk hem uiteindelijk genade en kon zijn handen wassen in de rivier de Paktolos. De bedding van deze rivier is sindsdien een belangrijke vindplaats van elektrum, een natuurlijke legering van goud en zilver.

Juicio final

Griekse mythen: feit of fictie? Het is niet nodig de Grieken te zien als superieure wezens. Maar ze waren zich wel bewust van een subtiele, scherpzinnige en vanzelfsprekende manier van alle aspecten van hun wezen. ‘Ken uzelf’ is een spreuk die toepasselijk is. Ze konden het leven en alles erop en eraan met een grotere onbevangenheid zien dan de meeste andere beschavingen. Het zal zeker zo zijn dat mythen niet echt zijn gebeurd. Er geen onsterfelijke goden waren. Er geen toverkunsten werken uitgevoerd. Maar wat maakt het uit. Het is een geweldige en bovenal andere manier van naar het leven kijken. En hoe leuk en interessant is dat!

Dit vind je misschien ook leuk...

1 reactie

  1. Anke schreef:

    Geweldige manier van vertellen, ik heb me zeker geamuseerd bij het lezen en gelachen, naar de feitjes die ik zocht over de Griekse Mythologie die mij zo boeit. Ben al een lange tijd bezig met het samenstellen van een stamboom betreffende de Griekse Mythologie en die werd steeds langer en onduidelijker, feiten en figuren die niet wilde matchen, dus dacht ik, ik ga gewoon wat verhaallijnen opzoeken betreffende deze personen, dat maakt het makkelijker en vermakelijker. Zo kwam ik terecht op jou website. Nou, vermaakt heb ik zeker na het lezen van jouw versie 😉 Dank je wel! – Groetjes Anke

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.